Voeg toe aan favorieten

Lezing prof.dr. J.W. Gunning op Gunningdag, 17-09-05


Jan Willem Gunning


Het gezin Gunning-Pierson
 
Lezing gehouden op de Gunningdag, 17 september 2005, in de Leeuwenberghkerk te Utrecht
 
Als u eens bij een promotie of oratie op de UvA in de senaatszaal bent: kijkt u dan even naar dit portret.



Dat is Jan Willem Gunning, hoogleraar scheikunde, rector-magnificus, een bekende Nederlander, o.a. door zijn vele maatschappelijke activiteiten.
 
In een biografie van Wilhelmina Drucker (de oorspronkelijke ‘Dolle Mina’) lezen we hoe de ‘Vrouwenbond ter Verhoging van het Zedelijk Bewustzijn’ een bijeenkomst hield om het voorstel te bespreken alle inrichtingen van ontucht strafbaar te stellen. De voorzitter, prof. J.W. Gunning, opende de bijeenkomst met gebed, daarna was het woord aan de vrouwen. Nadat de voorstanders aan het woord waren geweest, klonk de vraag: "Verlangen ook de tegenstanders het woord?" "Ja", zei Mina. Toen zij het podium betrad werd er gesist, gefloten. Daarna gebeurde er iets enigs: de voorzitter, prof. Gunning, verliet zijn zetel en ging achter haar staan. Zijn houding imponeerde: het kabaal was bezworen.
 
Het was een karakteristieke gebeurtenis: het respect voor andere meningen en de bemoeienis met grote sociale kwesties kenmerkten deze Gunning, ook dertig jaar eerder toen Röntgen bij hem in huis woonde.
 
Wat was die Gunning voor een man? Zijn vader kwam uit Apeldoorn (daar werd het contact met de familie Röntgen gelegd). Hij was predikant en stond heel lang in Leeuwarden. Hij was intellectueel niet echt een hoogvlieger, maar zijn vrouw, Anna Elisabeth van Campen, wordt beschreven als van ‘buitengewoon frisse geest’. Van haar kant kwam belangstelling voor politiek, muziek en wetenschap. Dat leverde een explosie van talent op in de volgende generatie. De vier zoons in dit gezin zouden alle vier beroemd worden: Willem als chemicus, Jan als theoloog, Marius als oogheelkundige en Edward (de enige die geen hoogleraar werd) als predikant. Dit was een indrukwekkend viertal, dat heel veel tot stand heeft gebracht.
De jongens studeerden allemaal hier in Utrecht. Willem begon met medicijnen, maar hij werd al snel gewonnen voor de scheikunde door de beroemde Gerrit Jan Mulder, mogelijk de belangrijkste Nederlandse wetenschapper van die tijd. Mulder maakte diepe indruk op hem met zijn pleidooi voor een moderne, empirische natuurwetenschap, en vooral ook door te benadrukken wat daarmee kon worden bereikt voor de volksgezondheid.
Gunning promoveerde bij Mulder, in 1853 (summa cum laude). Al een jaar later werd hij benoemd tot lector. Mulder gaf, toen hij dat lectoraat aanvroeg, aan dat hij Gunning (die toen pas 26 jaar was) als zijn opvolger wilde. De toekomst zag er dus veelbelovend uit, en een jaar later trouwde de jonge lector.
 
Dan komt er een zwarte periode: zijn moeder sterft datzelfde jaar aan de cholera, zijn vrouw overlijdt vlak na de geboorte van hun dochtertje Keetje. Bovendien komt hij in conflict met Mulder, een conflict dat zo hoog oploopt dat hij de universiteit moet verlaten.
Mulders reputatie had ernstig geleden toen zijn theorie over eiwitten onjuist bleek. Hij keerde zich toen af van de scheikunde en wierp zich op de politiek. Hij was een tegenstander van Thorbecke en werd een leidende figuur in de conservatieve Aprilbeweging. Vanwege die politieke activiteiten (en overspannenheid) legde Mulder tijdelijk zijn hoogleraarschap neer, en hij werd door Gunning en twee anderen vervangen. Gunning trok heel veel studenten, en vermoedelijk ligt daar het begin van het conflict. Mulder was jaloers op zijn succes als docent en dacht dat Gunning zijn plaats wilde innemen. Misschien speelden ook politieke meningsverschillen een rol: Mulder wilde een oude standenmaatschappij, Gunning stond aan de kant van de liberalen.
Hoe het ook zij, Mulder probeerde hem ontslagen te krijgen. Curatoren wilden daar niet aan, maar Gunning werd wel verbannen van het laboratorium en hij kreeg geen onderwijstaken. Hij richtte toen een eigen laboratorium in, zodat hij wel experimenten kon blijven doen. In 1858 werd hij docent aan de Technische School (waar Röntgen enkele jaren later leerling zou worden), een voorloper van de HBS.
Gunning dweepte met Mulder, en later schreef hij over dit conflict: "ik heb het diep gevoeld". Hij was nu weduwnaar met een dochtertje, en zijn wetenschappelijke carrière was in de knop gebroken.
In deze moeilijke tijd leerde hij Petronella Adriana Pierson (Piet) kennen, een zusje van zijn studievriend Allard. Zij werd zijn tweede vrouw.


P.A. Gunning-Pierson (1832-1923) met haar zoontje Willem

Haar vader, Jan Lodewijk Gregory Pierson, was een rijke, Amsterdamse koopman met een grachtenhuis aan het Singel en een buiten bij Haarlem.

Het gezin Pierson speelde een belangrijke rol in het Reveil, de geestelijke beweging die zich tegen de gezapigheid in de kerk keerde. Het Reveil hield aanvankelijk alleen stichtelijke bijeenkomsten, maar in 1845 werd het actief op sociaal gebied. Op initiatief van ds. O.G. Heldring kwamen de ‘Christelijke Vrienden’ twee keer per jaar bijeen, in het begin in het huis van de Piersons op het Singel. In Oudere Tijdgenoten heeft hun zoon Allard een prachtige beschrijving van die ‘reunions’ in het oude grachtenhuis gegeven. Daar kwamen Groen van Prinsterer, Heldring, Beets en Hasebroek. Daar werd niet alleen stichtelijk gesproken, maar ook georganiseerd. De vrome Reveilmensen konden heel praktisch zijn en waren overtuigd van de maakbaarheid van de samenleving. Zij richtten scholen op, experimenteerden met werkgelegenheidsprojecten op de Veluwe, stichtten opvang voor ‘gevallen vrouwen’, ontplooiden allerlei initiatieven op het gebied van de zending en van drank- en prostitutiebestrijding en waren heel actief in het onderwijs. Het Reveil heeft door die sociale bewogenheid heel veel tot stand gebracht. Het door prof.mr. N.G. Pierson geleide kabinet (1897-1901) werd niet voor niets het kabinet der sociale rechtvaardigheid genoemd.
Er was bij de Piersons een zeker standsbesef, maar ook een sterk besef dat men bevoorrecht was (met geld en met hersens) en dat men daarom geroepen was tot sociaal werk. Piets broer Hein droeg bij de zilveren bruiloft van het echtpaar Gunning-Pierson het volgende merkwaardige vers voor:
 
Dit is 't geheim van 's Heeren diepe heilsgedachten:
Personen kiest Hij uit, maar ook geslachten;
Strooit schatten naar zijn Goddelijk raadsbesluit,
Deelt geestesgaven en talenten uit;
Maar 't geen Hij kwistig leent aan Zijn verkoornen,
Keert tot Hem weer met winst bij armen en verloornen.
 
We kunnen er nu om glimlachen dat de Gunningen en Piersons zich kennelijk tot Gods ‘verkoornen’ rekenden, maar er zit veel sympathieks in de noblesse-oblige-gedachte, en zij leefden ernaar.
 
De Reveilgeest vinden we terug bij het echtpaar Gunning-Pierson. Zij hadden het in hun eerste huwelijksjaren (vanaf 1858) niet makkelijk. Keetje (de dochter uit het eerste huwelijk) overleed in 1860 en hun dochtertje Ida in 1863. Dat gebeurde toen Röntgen bij hen in huis woonde. (Mijn overgrootvader heeft het in zijn kinderdagboek vaak over ‘de twee zusjes in de hemel’.) Gunnings jongste zusje Annette overleed in 1865, 26 jaar oud.
Gunning deed ontzettend veel naast zijn universitaire werk. Hij was actief in de Utrechtse gezondheidscommissie, speelde een belangrijke rol bij het aanleggen van waterleidingen en riolering en daarmee bij het terugdringen van de cholera. Hij hield zich (als een van de eersten) bezig met de milieu-effecten van chemische fabrieken. Hij was actief betrokken bij de drankbestrijding en bij de organisatie van het lager onderwijs.
In 1865 wordt Gunning benoemd als hoogleraar in Amsterdam. Ook zijn broers maken carrière. De theoloog krijgt in 1877 een eredoctoraat hier in Utrecht, weigert een jaar later een hoogleraarschap en wordt dan in 1882 in Amsterdam benoemd. Marius is daar al in 1877 hoogleraar geworden. Ook Gunnings zwagers Allard en Klaas Pierson zijn hoogleraar in Amsterdam. De familie bezette zo een leerstoel in elk van de vijf faculteiten. Tot de broers behoorden ook ds. Edward Gunning, een gevierd prediker en een belangrijk man in de Hervormde Kerk, en dr. Hendrik Pierson, president-directeur van de Heldringgestichten, en een man die een grote rol speelde in de schoolstrijd en in het verzet tegen de reglementering van de prostitutie.
Röntgen was toen al weg, maar hij kende deze familiekring, een groep buitengewoon interessante mensen. Opvallend is hoe groot de spreiding is op geestelijk gebied. Allard Pierson was theologisch modern (en verloor zoveel van zijn geloof dat hij het nodig vond om zijn predikantsambt neer te leggen), maar Edward Gunning en Hendrik Pierson waren confessioneel, d.w.z. behoudend. Wie weet hoe vaak in de negentiende eeuw kleine verschillen op kerkelijk gebied tot hevige conflicten leidden, zal zich verbazen dat dit gezelschap decennia lang graag bijeenkwam.
In het gezin was het een levendige boel. Er kwamen tal van interessante en vaak controversiële mensen: Mendeljew, later Paul Kruger. Maar vooral de drie broers Gunning en de drie broers Pierson. Jan, de oudste zoon, schreef over die ooms:
 
Al deze mannen waren begaafde, vlotte sprekers, zoodat zelfs het eenvoudigste familiedinétje meestal een kruisvuur van geestige toast-en opleverde, niet zelden in dichtvorm, terwijl er voor banale conversatie nooit tijd overschoot. Al deze persoonlijkheden ontmoetten elkaar bij voorkeur in ons gezin, waar zij een hartelijkheid aantroffen, die alle tegenstellingen overbrugde: dat twee zulke diametraal verschillende persoonlijkheden en zoo ver uiteenlopend van richting en wereldbeschouwing als oom Jan Gunning en oom Allard Pierson elkaar een met diep respect gemengde vriendschap toedroegen, heb ik altijd voor een deel daaraan toegeschreven, dat Vader en Moeder als verbindingslid tusschen hen stonden.
 
Dat was het gezin waarin Röntgen woonde.
 
Gunning was geen theoreticus, maar een praktisch wetenschapper: ‘hij had zijn vak vooral lief om de uitnemende diensten die het aan het maatschappelijk leven kon bewijzen’, schrijft zijn zoon, die ook opmerkt dat zijn vader vond dat ‘beoefenaars der wetenschap die niet voor ons zelve hebben maar voor anderen’. Daar proeft u weer even dat plichtsgevoel. Hij schreef al vroeg enkele leerboeken, en Röntgen schreef bij één daarvan een hulpboek, zijn eerste publicatie. Gunning schijnt een uitnemend docent te zijn geweest. Van 't Hoff (de latere Nobel-prijswinnaar) vertelde dat er van zijn onderwijs ‘een geheel eigenaardige kracht uitging ... als intellectueel opvoedmiddel’. Zijn aanpak was sterk historisch: je moest niet alleen het eindresultaat presenteren maar de ontwikkelingsgang van het vak in zekere zin opnieuw doorlopen.
Gunning heeft geen grote wetenschappelijke reputatie opgebouwd (hoewel sommige van zijn artikelen nog steeds worden geciteerd), en ik heb de indruk dat hij soms diep teleurgesteld is geweest dat anderen bereikten wat hij eens zelf had geambieerd.
Hij was een groot organisator. De afzonderlijke wis- en natuurkundige faculteit, het doctoraat in de farmacie, de organisatie van de GGD, de oprichting van de rijkslandbouwproefstations, de rijkssuikerlaboratoria, dat alles was zijn werk.
Van 't Hoff beschreef Gunnings manier van werken:
 
‘Hij kon in korten tijd ongeloofelijk veel goed afdoen. De tentamina b.v. die bij den toenemenden bloei van de Amsterdamsche Universiteit, over een groot personeel van toekomstige medici liepen, werden door Gunning op eigenaardig practische wijze afgenomen, die intusschen slechts bij zijn inzicht en menschenkennis tot een betrouwbaar resultaat voerde. Aanvankelijk was dan het kleine spreekkamertje aan de Groene Burgwal gevuld met candidaten, en na korte gemeenschappelijke ondervraging, werd de beste weggezonden en dan de beste van de rest, tot na een niet al te lange tijd eenige bleeke, onzekere verschijningen achterbleven, die dan met grote mildheid werden geëxecuteerd. Waren de candidaten behandeld, waaraan meestal een college voorafging dan begon het gerechtelijk onderzoek; ik werd door de spreekbuis opgeroepen en de onvermijdelijke Korthals bracht b.v. de garderobe van een dame, die verdacht werd rattekruid te hebben toegediend; alle zakken worden zorgvuldig boven papier omgekeerd; uit alle zakken komen overblijfselen van koekjes;
Korthals verzegelt ze met volkomen ernst. Er wordt geklopt - ik was nooit in het spreekkamertje of er werd geklopt - een afgevaardigde komt spreken over Zuid-Afrikaansche belangen; de afgevaardigde begint, maar schrikt op door een fluitje achter hem in den hoek; het is niets: door een gaatje in den muur wordt bericht ontvangen over de uitkomst van een onderzoek in het laboratorium en dadelijk beantwoord. Er wordt weer geklopt - van Halteren komt met hoed en jas om Prof. te herinneren aan een conferentie ten raadhuize. Wij schrikken weer even op: in het privaatlaboratorium naast het spreekkamertje heeft een bediende een klein ongeluk met glaswerk, Gunning trekt intusschen zijn jas aan, dicteert een zeer helder rapport over de dame, laat van Halteren zijn vrouw roepen om het privaat-laboratorium weer in orde te maken, neemt de afgevaardigde mee en behandelt diens zaak onderweg, geeft ongetwijfeld ten raadhuize een zeer practisch advies, komt volkomen kalm in de faculteitszitting, waar gewoonlijk van Halteren weer wacht met eenige stukken ter afdoening. Zoo was ongeveer het leven van Gunning.’
 
Hij had een zeer brede belangstelling. Dat blijkt o.a. uit zijn brieven aan zijn zoon Jan. Daarin schrijft hij vaak over hun gemeenschappelijke literatuur. Vader en zoon discussiëren uitgebreid over Goethe.
Hij zag het als zijn taak de verhouding tussen geloof en wetenschap duidelijk te maken. (Die typische 19e-eeuwse discussie is dit jaar opeens weer actueel geworden, met het wonderlijke debat over intelligent design.) Gunning was daarin glashelder. Hij benadrukte de scheiding tussen de ‘wereld der wetmatigheid’ en die ‘der zedelijkheid’. In 1883 schreef hij: ‘elk natuurkundig begrip wordt niet alleen aan de verschijnselen zelve ontleend, maar ook verworven door buitensluiting zooveel mogelijk van elken maatstaf van ethischen aard, van alle persoonlijke gewaarwording, van alle sympathie en antipathie’. Men mocht van de wetenschap dan ook geen ‘dienstbaarheid verlangen aan doeleinden die hoe verheven en eerbiedwekkend ook haar als zodanig vreemd zijn’. In onderwijs op gereformeerde grondslag zag hij niets, en hij weigerde dan ook een VU-hoogleraarschap: hij kon zich wel gereformeerde chemici voorstellen, maar geen gereformeerde chemie. Hij trad in het krijt voor de Anglicaanse bisschop Temple, die gelovig was en toch de evolutieleer aanvaardde, hij klaagde over theologen die niets begrepen van ‘natuurkundig denken’ en eiste dat de Bijbel aan kritisch onderzoek werd onderworpen.
 
Hij had een uitzonderlijk goed huwelijk. Kort voor hun zilveren bruiloft schrijft hij zijn vrouw: ‘Als gij er niet zijt, het is alsof ik een andere persoon ben ... Het zal heerlijk zijn om Uw oog weer te zien en Uw armen weer om mij heen te voelen’. En, zeer typerend: ‘Ik ben U er altijd dankbaar voor dat gij nooit het ideaal in het huwelijk hebt laten schieten en nooit met half werk en een half hart tevreden zijt geweest’.
Hoe was het om kind te zijn van zulke ouders? De opvoeding was zeer onorthodox. Gunning nam Jan in 1871 van school toen de meester dwaze verhalen over atomen en moleculen hield en stuurde hem (11 jaar oud) eerst naar Parijs en vervolgens naar Heidelberg (waar hij bij zijn oom Allard Pierson in huis kwam, die daar toen hoogleraar was). Pas anderhalf jaar later kwam hij terug in het ouderlijk huis. Van de kinderen werd een grote zelfstandigheid verwacht (Jan regelde toen hij 15 was de vakantie van zijn ouders); ze werden heel vroeg als volwassenen behandeld.
 
Zijn vrouw schreef allerlei tractaatjes op pedagogisch gebied. Ze was tegen gedogmatiseer en had een simplele boodschap: ouders moeten voor hun kinderen een ideaal zijn van al wat goed is. Haar advies aan moeders luidde:
 
‘Wees daarom zelf altijd waar tegenover [Uw kind], fop hem nooit, houd getrouw uwe beloften tegenover hem, en verklaar hem, zoo gij buiten staat zijt geweest die te houden, waarom gij het niet hebt kunnen doen. Een kind voelt fijn op dit punt, en onthoudt langer dan men vermoedt. Boezem hem door uw voorbeeld een diep gevoel van waarheid in en wijs er hem op dat uitvluchten zoeken ook onwaarheid is. Wat zegt een kind meestal: Het is gevallen, het is gebroken ... Neen het is niet gevallen, maar ik heb het laten vallen, en ik heb het gebroken; de andere voorstelling is onwaar ... Huismoeders, bedenkt dit alles en waakt met de tederste zorg over het geestelijke heil uwer kinderen. .. Al die zielen zijn u toevertrouwd, één voor één, niet toevallig; al die zielen worden weder zoo vele leden van de maatschappij.’
 
Casimir (de pedagoog, dus de vader van de natuurkundige) publiceerde een open brief aan haar bij haar 80ste verjaardag. Over haar rol als moeder zegt hij:
 
‘Slechts één ding vroegt ge aan Uw kinderen en van uw kinderen: niet, wàt ze deden, maar of ze dat, wat ze deden, goèd deden, d.i. met heel hun hart, hun ziel, hun toewijding.’
 
Haar oudste zoon vond dat: ‘Opvoeding diende niet te geschieden door dogmatische zedenpreken, maar door het goede voorbeeld te geven met de nadruk op morele en intellectuele zelfstandigheid van het kind.’ Nu misschien vanzelfsprekend, maar toen niet, en wat hier over de zoon werd gezegd, gold precies zo voor zijn ouders.
 
We krijgen hiermee even een kijkje in de omgeving waarin Röntgen in zijn Utrechtse jaren verkeerde. Het was een bijzonder gezin: gelovig, maar onorthodox; een gezin waarin buitengewoon veel waarde werd gehecht aan oprechtheid, aan zelfstandigheid en aan vrijheid van denken. Röntgen kwam in contact met allerlei interessante mensen, van heel verschillende overtuigingen. Hij zag een jonge wetenschapper in actie, een begenadigd docent, vol enthousiasme over empirisch onderzoek en de bijdrage die dat onderzoek kon leveren aan de volksgezondheid.
Het contact bleef. Toen Röntgens ontdekking bekend werd, schreef Gunning een felicitatie. Röntgen was daar zeer door geroerd. Hij antwoordde (met als aanhef ‘Hochvererter Herr und Freund’), in het Duits: ‘van de vele gelukwensen was er nauwelijks één zo waardevol en mij zo lief’ als juist die brief. Zijn ouders hadden de ontdekking van de X-stralen niet meer mogen beleven, maar hij was heel dankbaar dat dat wel gold voor het echtpaar Gunning-Pierson, die ‘lieben Leute’ die, na zijn ouders, schreef hij, de grootste invloed op zijn opvoeding hadden gehad. Hij herinnerde zich dat hij jarenlang in hun huis woonde: ‘wie ein eigenes Kind’. En als u vraagt of die Utrechtse jaren voor Röntgen belangrijk waren, dan geeft hij in deze brief zelf het antwoord, en daarmee eindig ik:
 
‘Ich wollte Ihnen schreiben dass Ihr Platz in meinem Herzen niemals leer geworden ist, und dass ich niemals vergessen habe wie viel Gutes ich Ihnen beiden zu verdanken habe.’
 
 
Prof.dr. J.W. Gunning
Faculteit der Economische Wetenschappen en Bedrijfskunde
Vrije Universiteit Amsterdam
  • zo 5 februari 2006 14:54