De tariefstrijd in de jaren 1950-1955, Carl Puylaert

De Tariefstrijd 1955 was een gevecht dat eindigde met de overwinning van de artsen, en werd gevoerd door een kleine groep titanen.
Daar de betrokken titanen ‘faded away’, moge ik, die nog jong en net gevestigd die strijd verbaasd kon meemaken, de grote lijnen daarvan vertellen, want er zijn grote gelijkenissen waar wellicht wat uit te leren valt voor deze tijd.
1. Het ging over de fondstarieven, toen ongeveer de helft van het inkomen van de arts. Die waren ingevoerd door de bezetter, zelfs naar de letter (ik zag ooit een tarievenboekje van de Krankenkasse Keulen in het archief van de NVvR: mark werd gulden).
2. Per kring werd een lump sum betaald, gebaseerd op het aantal deelnemende fondspatiënten. De huisartsen kregen een vast bedrag per patiënt, de rest ging naar de specialisten, Die dienden hun declaratie in op basis van de genoemde tarieven.
Ook nu is er sprake van een lump sum, te verdelen door de ziekenhuizen.
3. Al snel bleek de lump sum te laag – door de medische vooruitgang en de inflatie. Dat uitte zich voor de specialist in een regeling waarbij alleen de eerste 10.000 gulden werden uitgekeerd, en de tweede voor 30%. En verder niets. Dat kwam grofweg neer op 30% van het totaal gedeclareerde bedrag (er zijn tussenregelingen geweest).
Ook nu zal de groei niet stilstaan, dus een aanvankelijk redelijk tarief wordt snel discutabel.
4. De verdeling werd ook besproken met derden, zoals de ziekenfondsbesturen, directies van ziekenhuizen, management en velen die zich ermee bemoeiden, en die besprekingen waren kinderlijk, onkundig, rancuneus. Ook de onderlinge verhouding van de specialisten was moeilijk, maar gelukkig waren die verder solidair.
Ik kan mij nog voldoende herinneren om een bloemlezing te geven over hoe specialisten hun tarieven zouden moeten bevechten met een management: nachtdienst, discomfort, verantwoordelijkheid, hulpkrachten of machines die het werk doen, etc.
5. Eindeloze palavers tussen de LSV (Landelijke Specialisten Vereniging) en fondsen en autoriteiten resulteerden in niets.
Toen kwam een kleine groep specialisten – voornamelijk in Zwolle (o.l.v. Van Bork, neuroloog) en Tilburg (o.l.v. Brandenburg, orthopeed en Kuyt, oogarts) – met een briljante zet: zij traden uit de LSV, zegden daarmee hun contract op met de fondsen, en declareerden direct aan de patiënt, die een verklaring meekreeg om bij zijn fonds dat bedrag terug te vragen. Zij richtten toen ook de NVVS op (Nederlandse Vereniging voor Specialisten).
(Denk niet dat iedere collega deze uittreders toejuichte: toen ik in 1955 naar Tilburg solliciteerde, waarschuwde mijn opleider mij voor ‘die geldwolven’).
6. De minister reageerde onmiddellijk met een prijsbeschikking: slechts 30% van het tarief mocht worden gedeclareerd. Het antwoord was dat de patiënt van de specialist een verklaring kreeg voor het fonds, dat hij een behandeling had gekregen die bijv. dertig gulden kostte, waarvan hij er tien had betaald. (Mijn eerste honorarium van een week kreeg ik in een loonzakje mee naar huis; ik meen iets van vijfhonderd gulden.)
Toen die prijsbeschikking kwam zaten de deelnemers op een vergadering deject te kijken: verloren zaak! Tot de krachtige ziekenhuisdirecteur Stolte binnenkwam en riep “Aha, de minister voelt zwak”, en iedereen opveerde. Krachtige leider. Ik weet nog niet wat de zwakte van de minister was.
7. Collega Kuyt ging een proefproces aan door 1 cent te veel te declareren. Hij won dat proces, omdat de minister alleen algemene prijsbeschikkingen mocht maken.
8. Uiterst belangrijk was toen dat de specialisten van hun recht op navordering van de fondsen zeer prudent te werk zijn gegaan, en niet in alle gevallen de hele 70% hebben geëist (bijv. bij onderzoeken of behandelingen die inmiddels veel eenvoudiger, of veel frequenter waren geworden). Dit heeft in grote mate bijgedragen tot de tariefvrede die toch meer dan vier decennia heeft geheerst.
9. De rest van de Nederlandse specialisten heeft de resultaten van deze overwinning dankbaar aanvaard, en de NVVS ging weer op in de LSV.
De gelijkenis met nu is dat duidelijk moet zijn dat de arts en de patiënt de partijen zijn die onderhandelen. En hun vertegenwoordigers aanwijzen. En moeten dat de verzekeraars zijn? De fondsbesturen in Tilburg – en die bestonden deels uit artsen en patiënten-vertegenwoordigers – hebben zich toen op de achtergrond gehouden.
Vervolgens is belangrijk dat velen van ons door hun ideële instelling de kracht missen om in te zien dat een beroerd tarief ten slotte ook hun ideeën aantast; bijv. diegenen die de NVVS geldwolven noemden, maar later tevreden waren met de resultaten. Maar vooral dat discussie over tarieven ellendig en eigenlijk onmogelijk is, vooral met semileken (zoals een staatssecretaris die mij, later, ooit meedeelde dat Nederland zich nooit CT zou kunnen permitteren).
Een groot gevaar, waarom ook de National Health Service zo beroerd werkte, is dat het eerste aanbod redelijk lijkt, maar dat later door inflatie en technische groei achterstand optreedt.
Ook de Belgische artsen zijn pas door stakingen en andere forse toestanden uit het keurslijf kunnen treden in die dagen.
Prof.dr. C.B.A.J. Puylaert
Emeritus hoogleraar radiologie AZU
- di 28 december 2010 17:42

