Examen Neuroradiologie najaar 2001
Sommige vragen worden vooraf gegaan door een cursief gedrukt gedeelte. Dit is een inleiding op de daaropvolgende vraag en dient beschouwd te worden als zijnde juist.
1. 2 DFT TOF MR-angiografie heeft als voordeel boven 3 DFT TOF een grotere gevoeligheid voor trage flow.
A. Juist B.Onjuist
neurorad blz 13
2. Bij normale embryologische ontwikkeling sluit de neurale buis 8 weken na begin van de zwangerschap.
A. Juist B.Onjuist
neurorad blz 25
3. De fissura Sylvii scheidt de temporaal kwab van de pariëtale en frontale kwab.
A. Juist B.Onjuist
neurorad blz 26
4. De flocculus grenst aan de brughoekcisterne.
A.Juist B.Onjuist
neurorad blz 33
5. Een tremor wijst op een afwijking in het extrapyramidale systeem.
A.Juist B.Onjuist
neurorad blz 40
6. De 5e t/m 8e hersenzenuwen ontspringen uit de pons.
A.Juist B.Onjuist
neurorad blz 47
7. 25% van de hersenmetastasen zijn bij ontdekking solitair.
A.Juist B.Onjuist
neurorad blz 67
8. Intraventriculaire meningiomen komen vaker voor in de derde ventrikel dan in de zijventrikels.
A.Juist B.Onjuist
neurorad blz 70
9. Uitbreiding van een brughoek proces in de meatus acusticus internus maakt een schwannoma waarschijnlijker dan een meningioma.
A.Juist B.Onjuist
neurorad blz 73
10. Een epidermoid is in de meerderheid der gevallen extraduraal gelokaliseerd.
A.Juist B.Onjuist
neurorad blz 76
11. Een “midline” lokalisatie maakt een dermoïd waarschijnlijker dan een epidermoïd.
A.Juist B.Onjuist
neurorad blz 77
12. Bij een kind onder de 5 jaar is bij een hyperdense afwijking op CT in een zijventrikel een choroid plexus carcinoma de meest waarschijnlijke diagnose.
A.Juist B.Onjuist
neurorad blz 78
13. Een patiënt met plaveiselcel carcinoom van de long heeft een hogere kans op hersenenmetastasen dan een patiënt met een adenocarcinoom van de long.
A.Juist B.Onjuist
neurorad blz 79
14. Bij volwassenen is het hemangioblastoma de meest voorkomende primaire intra-axiale tumor onder het tentorium.
A.Juist B.Onjuist
neurorad blz 81
15. Het pilocytaire astrocytoom in de achterste schedelgroeve bij kinderen heeft een slechte prognose.
A.Juist B.Onjuist
neurorad blz 83
16. Limbische encephalitis kan een paraneoplastisch fenomeen zijn.
Deze afwijking is in de meerderheid der gevallen niet zichtbaar te maken met MRI.
A.Juist B.Onjuist
neurorad blz 87
17. Een cerebraal lymfoom berust vaker op een NHL dan op Hodgkin’s lymfoom.
A.Juist B.Onjuist
neurorad blz 92
18. Een patiënt is geopereerd wegens een hersentumor. Bij een controle MRI één jaar postoperatief wordt meningeale aankleuring gezien.
Patiënt heeft waarschijnlijk een recidief tumor.
A.Juist B.Onjuist
neurorad blz 100
19. Per definitie zijn de verschijnselen van een TIA binnen 24 uur restloos verdwenen.
A.Juist B.Onjuist
neurorad blz 107
20. Ongeveer 25% van de herseninfarcten is in het cerebellum gelokaliseerd.
A.Juist B.Onjuist
neurorad blz 113
21. Fibromusculaire dysplasie is in de meerderheid der gevallen te onderscheiden van “standing waves”.
A. Juist B. Onjuist.
neurorad blz 117
22. De hoge eiwitconcentratie in de lens is verantwoordelijk voor de hoge densiteit van de lens op een CT scan.
A. Juist B. Onjuist
neurorad blz 119
23. Een patiënt met een intracerebrale bloeding krijgt een controle CT na 3 weken.
Het aantonen van hyperdensiteit op deze scan is suspect voor recidief bloeding.
A. Juist B. Onjuist
neurorad blz 119
24. Hemosiderine heeft een groot magnetisch susceptibiliteitseffect.
A. Juist B. Onjuist
neurorad blz 129
25. Patiënten die corticosteroiden gebruiken hebben een verhoogd risico op een candida infectie van het centrale zenuwstelsel.
A. Juist B. Onjuist
neurorad blz 193
27. In meer dan 50% van de gevallen is MRA nodig als aanvulling of spin echo MRI om veneuze infarcten te diagnostiseren.
A. Juist B. Onjuist
neurorad blz 132
28.Bij amyloidangiopathie is de grijze stof meer aangetast dan de witte stof.
A. Juist B. Onjuist
neurorad blz 133
29. Een carotisdissectie toont bij angiografie zelden vulling van zowel het ware als het valse lumen.
A. Juist B. Onjuist
neurorad blz 135
30. Een perimesencephale bloeding heeft een hoog recidief percentage.
A. Juist B. Onjuist
neurorad blz 140
31. Voor het aantonen van een caverneus angioom met MR is een gradiënt echo sequentie sensitiever dan conventionele spin echo imaging.
A. Juist B. Onjuist
neurorad blz 141
32. Epidurale hematomen worden begrensd door suturen.
A. Juist B. Onjuist
neurorad blz 152
33. De thalamus is een voorkeursplaats voor “diffuse axonale injury” DAI.
A. Juist B. Onjuist
neurorad blz 159
34. Sinusitis is de meest voorkomende oorzaak van leptomeningitis.
A. Juist B. Onjuist
neurorad blz 174
35. Om bij een laesie met ringvormige aankleuring te differentiëren tussen tumor en abces is klinische informatie onontbeerlijk.
A. Juist B. Onjuist
neurorad blz 180
37. Op een sagittale T2-gewogen MR van het cerebrum wordt een focus gezien met een hoge signaalintensiteit in het corpus callosum.
MS is waarschijnlijker dan een vasculaire oorzaak.
A. Juist B. Onjuist
neurorad blz 204/205
38. ADEM (acute disseminated encephalomyelitis) is een dysmyeliniserende ziekte.
A. Juist B. Onjuist
neurorad blz 212
39. Bij centrale pontine myelinolyse is de tractus corticospinalis aangedaan.
A. Juist B. Onjuist
neurorad blz 216
40. Symmetrie van afwijkingen is een kenmerk van dysmyeliniserende ziekte.
A. Juist B. Onjuist
neurorad blz 219
41. M. Hallervorden-Spatz wordt gekenmerkt door ijzerstapeling in de basale ganglia.
A. Juist B Onjuist
neurorad blz 235
42. De frontaalkwabben zijn een voorkeurslokalisatie van Alzheimer dementie.
A. Juist B. Onjuist
neurorad blz 229
43. CT-onderzoek van de hersenen bij patiënten met M. Creutzveldt-Jakob is meestal normaal.
A. Juist B. Onjuist
neurorad blz 231
44. Afwijkende signaalintensiteit bij MR-onderzoek in de nuclei lentiformes is een kenmerk van chorea van Huntington.
A. Juist B. Onjuist
neurorad blz 234
45. Bij een 45-jarige vrouw, die comateus in haar woning is gevonden, wordt bij MR-onderzoek een verhoogd signaal gezien in de basale ganglia op de T1-gewogen opnames.
Het syndroom van Reye (aspirine intoxicatie) is waarschijnlijker dan koolmonoxide vergiftiging.
A. Juist B. Onjuist
neurorad blz 236
46. Bij blanco CT- onderzoek bij een 25-jarige man met hoofdpijnklachten wordt hydrocephalus gezien en een hyperdense laesie anterieur in de derde ventrikel gezien. Colloidcyste is de waarschijnlijkheidsdiagnose
A. Juist B. Onjuist
neurorad blz 238
47. De vierde ventrikel dilateert bij een communicerende hydrocephalus als laatste.
A. Juist B. Onjuist
neurorad blz 240
48. Bij neurosarcoïdosis komt zowel obstructieve als communicerende hydrocephalus voor.
A. Juist B. Onjuist
neurorad blz 196
50. Bij MR- onderzoek bij een 4-jarig kind wordt een pericerebrale vochtcollectie gezien met enig massa-effect op het cerebrum, die isointens is met de liquor op alle sequenties.
Een subduraal hygroom is waarschijnlijker dan een arachnoidale cyste.
A. Juist B. Onjuist
neurorad blz 248
51. Meningoencephaloceles komen vaker occipitaal voor dan pariëtaal.
A. Juist B. Onjuist
neurorad blz 249
52. Een lipoom is een kenmerk van corpus callosum agenesie.
A. Juist B. Onjuist
neurorad blz 254
53. Achondroplasie is een oorzaak van unilaterale megaencephalie.
A. Juist B. Onjuist
neurorad blz 258
54. Bij een neonaat wordt bij MR- onderzoek een vochtcollectie gezien in de fossa posterior met een hypoplastische vermis van het cerebellum.
Een reuze cisterna magna is waarschijnlijker dan het Dandy-Walker syndroom.
A. Juist B. Onjuist
neurorad blz 259
55. Een hydrocephalus is een kenmerk van Arnold-Chiari type I.
A. Juist B. Onjuist
neurorad blz 261
56. Een baby van 3 maanden heeft een oog dat hoger staat dan het andere.
Unilaterale craniosynostosis van de sutura coronaria is waarschijnlijker dan craniosynostosis van de sutura metopica.
A. Juist B. Onjuist
neurorad blz 264
57. Een opticusglioom is een kenmerk van neurofibromatose type II.
A. Juist B. Onjuist
neurorad blz 266
58. Bij een patiënt met tubereuze sclerose wordt bij MR- onderzoek hydrocephalus gezien en een laesie bij het foramen van Monroe, welke na contrast homogeen aankleurt.
Subependymaal reuscel astrocytoom is waarschijnlijker dan een subependymale tuber.
A. Juist B. Onjuist
neurorad blz 269
59. Een phaeochromocytoom is een kenmerk van M. Sturge-Weber.
A. Juist B. Onjuist
neurorad blz 270/271
61. De arterie van Adamkiewicz gaat vaker aan de rechterzijde af van de aorta dan aan de linkerzijde.
A. Juist B. Onjuist
neurorad blz 453
63. Epidurale abcessen zijn vaker in de ventrale epidurale ruimte dan in de dorsale epidurale ruimte gelokaliseerd.
A. Juist B. Onjuist
neurorad blz 479
64. Een patiënt met AIDS heeft bij MR-onderzoek een intramedullaire laesie op niveau Th 5. Syphilis is waarschijnlijker dan CMV infectie.
A. Juist B. Onjuist
neurorad blz 480
65. Beenmergafwijkingen van de wervels bij M. Gaucher hebben in het merendeel der gevallen op T1-gewogen MR-opnames een hoge signaalintensiteit.
A. Juist B. Onjuist
neurorad blz 482
67. Een unilaterale facetverhaking van de CWK geeft instabiliteit.
A. Juist B. Onjuist
neurorad blz 500
68. Een laesie met een hoog eiwitgehalte heeft bij MR-onderzoek op T2-gewogen opnames een hoge signaalintensiteit.
A. Juist B. Onjuist
neurorad blz 508
69.De clivus is een voorkeurslokalisatie van een chordoom.
A. Juist B. Onjuist
neurorad blz 517
70.De falx cerebri en het tentorium zijn op CT-onderzoek in de meerderheid der gevallen hyperdens ten opzichte van het cerebrum.
A. Juist B. Onjuist
neurorad blz 514

