Voeg toe aan favorieten Print

Examen Hart en vaten 2001

Sommige vragen worden voorafgegaan door een cursief gedrukt tekstgedeelte. Dit is een inleiding op de daaropvolgende vraag, en dient beschouwd te worden als zijnde juist.


1. Het grootste deel van de voorkant van het hart wordt gevormd door de rechter ventrikel.
A. Juist B. Onjuist G&A blz. 555

2. Het rechter atrium heeft een hartoor.
A. Juist B. Onjuist G&A blz. 557

3. Grove trabeculatie t.p.v. het septum is een morfologisch kenmerk van de linker ventrikel.
A. Juist B. Onjuist G&A blz. 559

4. Aanwezigheid van een musculeus infundibulum is een morfologisch kenmerk van het linker atrium.
A. Juist B. Onjuist G&A blz. 560

5. De cor/thorax ratio is bij gezonde neonaten gemiddeld hoger dan bij gezonde volwassenen.
A. Juist B Onjuist G&A blz. 564

6. Vergroting van het linker hartoor is een kenmerk van acuut rheuma.
A. Juist B. Onjuist G&A blz. 565

7. In de meerderheid der gevallen van pulmonaalklepstenose is de rechter ventrikel gedilateerd.
A. Juist B. Onjuist G&A blz. 569

8. Verkalkingen van de tricuspidaalklep bevinden zich in de meerderheid van de gevallen in de annulus.
A. Juist B. Onjuist G&A blz. 571

9. Thallium-201 heeft een kortere halfwaardetijd dan Technetium-99m.
A. Juist B. Onjuist G&A blz. 602/603

10. De term reversed redistribution betekent dat bij hartscintigrafie een defect bij stressopnames ernstiger is dan in rust. Dit duidt erop dat de aan het infarct gerelateerde arterie open is.
A. Juist B. Onjuist G&A blz. 605

11. Door toediening van dipyramidol (Persantin®) neemt de zuurstofbehoefte van het hart toe.
A. Juist B. Onjuist G&A blz. 607

12. Mitralisprolaps is een indicatie voor myocardperfusieonderzoek.
A. Juist B. Onjuist G&A blz. 607

13. De ejectiefractie van het hart is gedefinieerd als de ratio tussen het slagvolume en het eindsystolisch volume.
A. Juist B. Onjuist G&A blz. 608

14. Li-Re shunts worden met scintigrafie berekend als de ratio tussen activiteit in de perifere organen t.o.v. de totale activiteit.
A. Juist B. Onjuist G&A blz. 611

15. Het normale pericard is op T1 gewogen spin-echo MR opnames wit.
A. Juist B. Onjuist G&A blz. 643

16. Het meest voorkomende intracardiale vullingsdefect is een thrombus.
A. Juist B. Onjuist G&A blz. 643

17. Bij een patiënt wordt bij MR flowmeting in de vena cava superior een diastolische flow gevonden die lager is dan de systolische. Tricuspidaal insufficiëntie is waarschijnlijker dan een constrictieve hartaandoening.
A. Juist B. Onjuist G&A blz. 647

18. Op de intra-uteriene leeftijd van 8 weken heeft het foetale hart zijn definitieve vorm.
A. Juist B. Onjuist G&A blz. 657

19. Coarctatio aortae ontstaat embryologisch door een ontwikkelingsstoornis van de truncus arteriosus.
A. Juist B. Onjuist G&A blz. 659

20. Geïsoleerde pulmonaalklepstenose is een oorzaak van cyanose.
A. Juist B. Onjuist G&A blz. 659

21. Oligaemie van de longcirculatie is een kenmerk van persisterende truncus arteriosus.
A. Juist B. Onjuist G&A blz. 664

23. Bij een patiënt met coarctatio aortae wordt alleen linkszijdige ribnotching gezien. De aberrante rechter a. subclavia ontspringt onder het niveau van de coarctatie.
A. Juist B. Onjuist G&A blz. 667

24. Bij Ebstein anomalie is het rechter atrium vergroot.
A. Juist B. Onjuist G&A blz. 666

25. Het merendeel van de patiënten met tetralogie van Fallot heeft een rechter arcus aortae.
A. Juist B. Onjuist G&A blz. 667

26. Het merendeel van de VSD’s zijn musculeus.
A. Juist B. Onjuist G&A blz. 682

27. Een open ductus arteriosus veroorzaakt een aortopulmonale shunt.
A. Juist B. Onjuist G&A blz. 686

28. Een aorto-sinus fistel ontstaat meestal als complicatie van een aneurysma van de sinus van Valsalva.
A. Juist B. Onjuist G&A blz. 689

29. Neonaten met tetralogie van Fallot presenteren zich in de eerste levensdagen met centrale cyanose.
A. Juist B. Onjuist G&A blz. 693

30. Bij totale abnormale pulmonale veneuze inmonding (Total anomalous pulmonary venous drainage) monden de pulmonale venen vaker supracardiaal dan infradiaphragmaal in.
A. Juist B. Onjuist G&A blz. 700

31. Bij een neonaat wordt op de X-thorax veneuze stuwing gezien met veneuze redistributie, alveolair en interstitieel oedeem en verdikte fissuren. Infradiaphragmale obstruerende abnormaal inmondende pulmonaalvenen is de waarschijnlijkheidsdiagnose.
A. Juist B. Onjuist G&A blz. 702

32. Bij double-outlet ventrikel is meestal de linker ventrikel functioneel de belangrijkste.
A. Juist B. Onjuist G&A blz. 703

33. Een neonaat met een congenitaal niet-gecorrigeerde transpositie van de grote vaten is zonder shunt niet levensvatbaar.
A. Juist B. B. Onjuist G&A blz. 707

34. Bij cor triatriatum is het linker hartoor niet vergroot.
A. Juist B. Onjuist G&A blz. 723

35. Asplenie gaat meestal samen met een rechter atrium isomerisme.
A. Juist B. Onjuist G&A blz. 729

36. Aortaklepverkalkingen worden vaker gezien bij patiënten met spondylitis ankylopoetica dan bij een bicuspide aortaklep.
A. Juist B. Onjuist G&A blz. 742/744

37. Cardiomyopathie is gedefinieerd als een ziekte van de hartspier van onbekende oorsprong of oorzaak.
A. Juist B. Onjuist G&A blz. 797

38. Bij de ziekte van Chagas zijn de afwijkingen aan het myocard vooral rond de apex gelokaliseerd.
A. Juist B. Onjuist G&A blz. 800

39. Bij sarcoidose zijn de afwijkingen aan het myocard vooral rond de apex gelokaliseerd.
A. Juist B. Onjuist G&A blz. 800

40. Het rhabdomyoom van het hart komt vaker voor bij Neurofibromatose type I (M. von Recklinghausen) dan bij Tubereuze Sclerose (M. Bourneville).
A. Juist B. Onjuist G&A blz. 807

41. Het posttraumatische pseudo-aneurysma van het linker ventrikel heeft vaker een smalle “hals” dan het post-infarct aneurysma.
A. Juist B. Onjuist G&A blz. 809

42. Een afstand tussen de tip van een pacemaker elektrode en het epicardiale vet van 6 mm of minder wijst op penetratie.
A. Juist B. Onjuist G&A blz. 817

43. De Björk-Shiley prothese is een monocuspide klepprothese.
A. Juist B. Onjuist G&A blz. 825

44. De meest voorkomende complicatie van een varkenshartklep (bio-prothese) is distale embolisatie van één van de klepbladen.
A. Juist B. Onjuist G&A blz. 833

45. U wordt gebeld door de neuroloog in uw ziekenhuis. Bij een 54-jarige patiënt wil zij ter uitsluiting van een sinustrombose een MRI van de hersenen laten vervaardigen. Zij vertelt u dat de patiënt vorig jaar een bicuspide mitralis-kunstklep heeft gekregen. Het MRI onderzoek is op basis van deze gegevens gecontra-indiceerd.
A. Juist B. Onjuist G&A blz. 834

46. Congenitale afwezigheid van het pericard komt vaker voor bij mannen dan bij vrouwen.
A. Juist B. Onjuist G&A blz. 839

47. Pericardcysten bevinden zich in meer dan twee derde van de gevallen in de rechter pericardio-frenische hoek.
A. Juist B. Onjuist G&A blz. 840

48. Bij een CT onderzoek van de thorax wordt een cysteuze afwijking uitgaande van het pericard gevonden. In de cyste is uitgezakt dens materiaal (‘kalkmelk’) aanwezig. Een intra-pericardiale bronchogene cyste is waarschijnlijker dan een pericardcyste.
A. Juist B. Onjuist G&A blz. 840

49. Bij een acuut dyspnoeïsche 62-jarige patiënt wordt op de X-thorax ten opzichte van een eerdere opname een toename van de hartgrootte gezien, bij afname van de longvaattekening. Deze combinatie van bevindingen pleit tegen het bestaan van een pericardtamponade.
A. Juist B. Onjuist G&A blz. 844

52. De aortawortel ligt bij normale volwassenen ventraal van het linker atrium.
A. Juist B. Onjuist G&A blz. 853

53. Bij een “gespiegelde” rechtszijdige aortaboog (‘mirror-image right aortic arch’) komt in 25-40% van de gevallen een congenitaal cor vitium voor.
A. Juist B. Onjuist G&A blz. 855

54. Bij een dubbele aortaboog ligt de linker boog meestal meer craniaal dan de rechter.
A. Juist B. Onjuist G&A blz. 857

55. De aorta-stenose in het kader van het syndroom van Williams is in de meerderheid der gevallen supravalvulair gelokaliseerd.
A. Juist B. Onjuist G&A blz. 859

56. Bij het post-ductale type van de coarctatio aortae komt vaker een hypoplasie voor van de isthmus aortae, dan bij het pre-ductale type.
A. Juist B. Onjuist G&A blz. 859

57. Type A aortadissecties vormen meer dan de helft van alle aortadissecties.
A. Juist B. Onjuist G&A blz. 861

58. Om 1000 IU heparine te neutraliseren dient men 10 mg protaminesulfaat toe te dienen.
A. Juist B. Onjuist G&A blz. 2365

60. Intestinale angiodysplasie is vaker in het colon ascendens, dan in het ileum gelokaliseerd.
A. Juist B. Onjuist G&A blz. 2374

61. Het teken van Branham (Branham’s sign) is een direct optredende bradycardie na het afsluiten of extern comprimeren van een arterio-veneuze fistel.
A. Juist B. Onjuist G&A blz. 2375

62. Thromboangiitis obliterans (Ziekte van Bürger) komt meer bij jonge mannen, dan bij jonge vrouwen voor.
A. Juist B. Onjuist G&A blz. 2383

63. 2D Time Of Flight Magnetische Resonantie Angiografie (2D-TOF MRA) is minder sensitief voor trage flow dan 3D-TOF MRA.
A. Juist B. Onjuist G&A blz. 2415

64. Bij een patiënte worden varices gevonden van zowel het oppervlakkige, als het diepe veneuze systeem.Primaire varicosis is in dit geval waarschijnlijker dan secundaire varicosis.
A. Juist B. Onjuist G&A blz. 2449

65. Normale venen tonen in de meerderheid der gevallen een parabolisch flowpatroon.
A. Juist B. Onjuist G&A blz. 2461

66. In vergelijking met streptokinase heeft urokinase onder meer als voordeel dat het minder aanleiding geeft tot het optreden van anafylactische reacties.
A. Juist B. Onjuist G&A blz. 2504

67. Na het plaatsen van een endovasculaire stent zal deze met een nieuwe laag endotheelcellen (“de neo-intima”) bekleed worden. Het ontstaan van deze laag neemt gemiddeld 6 tot 8 weken in beslag.
A. Juist B. Onjuist G&A blz. 2523

68. Voor een embolectomie in het aorto-iliacale traject heeft een chirurgische transluminale procedure (“Fogarty-procedure”) de voorkeur boven een radiologische percutane aspiratie thrombo-embolectomie.
A. Juist B. Onjuist G&A blz. 2523

69. Proximale therapeutische embolisatie van de milt (b.v. middels coils in de a. lienalis) heeft een grotere kans op complicaties dan distale embolisatie (m.b.v micropartikels).
A. Juist B. Onjuist G&A blz. 2531

70. Een geringe hoeveelheid gas in een orgaan waarin een therapeutische embolisatie heeft plaatsgevonden heeft meestal geen klinische betekenis.
A. Juist B. Onjuist G&A blz. 2534