Voeg toe aan favorieten Print

Examen Hoofd-Hals najaar 2001

EXAMEN Hoofd-Hals najaar 2001


1. De eerste tak van de nervus trigeminus verloopt door de fissura orbitalis inferior.

A. juist
B. onjuist Grossman 279

2. De nervus opticus wordt in zijn intra-orbitale traject omgeven door een uitloper van de subarachnoïdale ruimte.

A. juist
B. onjuist Grossman 280

4. Bij MR-onderzoek treden bewegingsartefacten met name op in de richting van de phase-encoding gradient.

A. juist
B. onjuist Grossman 283

5. Chemical shift artefacten treden op in de richting van de frequency-encoding gradient.

A. juist
B. onjuist Grossman 283

6. Bij CT-onderzoek van het oog bij een kind van twee jaar wordt een tumor met verkalkingen gezien.
Een retinoblastoom is het meest waarschijnlijk.

A. juist
B. onjuist Grossman 285

7. Een hamartoom van het tuber cinereum kleurt niet aan na intraveneuze contrasttoediening.

A. juist
B. onjuist Grossman 325

8. Een caverneus hemangioom van de orbita toont op T1-gewogen pulssequenties in het merendeel van de patiënten multipele “flow voids”.

A. juist
B. onjuist Grossman 294


9. Een teken van een carotico-caverneuze fistel is een verwijde vena ophthalmica superior.

A. juist
B. onjuist Grossman 295

10. Bij de ziekte van Graves met ophthalmoplegie is de musculus rectus lateralis het meest frequent aangedaan.

A. juist
B. onjuist Grossman 296

11. De bulbus jugularis is aan de rechterkant in het merendeel van de patiënten groter dan aan de linkerkant.

A. juist
B. onjuist Grossman 311

12. De hypofyse-achterkwab is bij normale mensen laag van signaal op T1-gewogen pulssequenties.

A. juist
B. onjuist Grossman 312

13. De “partially empty sella” is een normale variant.

A. juist
B. onjuist Grossman 317

14. Het merendeel van de “Rathke’s cleft cysts” toont verkalkingen op een blanco CT-scan.

A. juist
B. onjuist Grossman 319

15. Minder dan 50% van de craniopharyngeomen toont op CT cysteuze componenten.

A. juist
B. onjuist Grossman 321

16. Suprasellaire germinomen metastaseren bij voorkeur via de hematogene weg.

A. juist
B. onjuist Grossman 326


17. Een patient lijdt sinds enkele dagen aan retroorbitale pijn, uitval van hersenzenuw 3, 4 en 6. De neuroloog vermoedt een Tolosa-Hunt syndroom. Bij MR-onderzoek wordt een massa gezien, isointens met spier op T1-gewogen pulssequenties en isointens met vet op T2-gewogen pulssequenties, in de sinus cavernosus.
Een biopsie is de meest geëigende methode om tot een diagnose te komen.

A. juist
B. onjuist Grossman 329

18. Cysten van de tweede kieuwgroeve draineren vaker in de uitwendige gehoorgang dan cysten van de eerste kieuwgroeve.

A. juist
B. onjuist Grossman 337

19. Mensen die geregeld in koud water zwemmen hebben een grotere kans op een exostose van de uitwendige gehoorgang dan mensen die geregeld zonnebaden.

A. juist
B. onjuist Grossman 337

20. De malleus vormt een gewricht met de stapes.

A. juist
B. onjuist Grossman 339

21. De voetplaat van de stapes staat in het ovale venster.

A. juist
B. onjuist Grossman 339

22. De nervus facialis verloopt in het voor-boven kwadrant van de inwendige gehoorgang.

A. juist
B. onjuist Grossman 339

23. Congenitale cholesteatomen zijn meestal signaalrijk op T1-gewogen pulssequenties.

A. juist
B. onjuist Grossman 342

24.
Cholesteatomen kunnen een fistel geven naar de halfcirkelvormige kanalen.
Het laterale (horizontale) halfcirkelvormige kanaal is het meest frequent aangedaan.

A. juist
B. onjuist Grossman 344


25. Een aberrante arteria carotis interna loopt door het centrum van het achterste halfcirkelvormige kanaal.

A. juist
B. onjuist Grossman 345

26.
De nervus facialis kan bij gezonde mensen aankleuren na intraveneuze Gadolinium-toediening.
Als het gedeelte van de zenuw, dat in de inwendige gehoorgang verloopt, aankleurt is dat pathologisch.

A. juist
B. onjuist Grossman 348

27. Otosclerose komt bij het merendeel van de patiënten tweezijdig voor.

A. juist
B. onjuist Grossman 351

29. De voorkeurslokalisatie van een cholesterol granuloom is de apex van het pars petrosa van het os temporale.

A. juist
B. onjuist Grossman 353

30. Een cholesterol granuloom heeft een hoge signaalintensiteit op T1-gewogen pulssequenties.

A. juist
B. onjuist Grossman 353

31. Transversale fracturen van het os temporale komen vaker voor dan longitudinale fracturen.

A. juist
B. onjuist Grossman 355

32. Nasale gliomen komen het meest frequent voor in de bovenste neusgang.

A. juist
B. onjuist Grossman 362


33. Een verdikking van de benige wand van een paranasale sinus is een kenmerk van een chronische sinusitis.

A. juist
B. onjuist Grossman 365

34. Bij schimmelinfectie van de sinus maxillaris toont CT-onderzoek geregeld een met hyperdens materiaal gevulde sinus maxillaris.
Op T2-gewogen pulssequenties komt dit overeen met een hoge signaalintensiteit van de inhoud van de sinus maxillaris.

A. juist
B. onjuist Grossman 365

36. Melanomen van het sinonasale gebied komen het meest voor in de sinus maxillaris.

A. juist
B. onjuist Grossman 373


38. Een mucocele is een aandoening van de paranasale sinus.
De sinus maxillaris is het meest frequent aangedaan.

A. juist
B. onjuist Grossman 368

39. Lymfklieren in de submandibulaire regio met een axiale diameter tot 8-10 mm zijn een normale bevinding.

A. juist
B. onjuist RCNA 1029, Grossman 403


40. De lymfklier metastasen welke worden gevonden in de cervicale regio zijn in de meerderheid van de gevallen afkomstig van adenocarcinomen.

A. juist
B. onjuist RCNA 1032

41. Vorm van de lymfklier is een belangrijker criterium dan de grootte voor het stellen van de diagnose maligne of benigne klier.

A. juist
B. onjuist RCNA 1032

42. Epidermoiden bevinden zich in de meerderheid van de gevallen in de mediaanlijn.

A. juist
B. onjuist RCNA 1037

43. Sialolithiasis komt met meest frequent voor in de glandula submandibularis.

A. juist
B. onjuist RCNA 1039-1040, Grossman 416

44. Tumoren in de glandula submandibularis zijn vaker maligne dan tumoren in de glandula
sublingualis.

A. juist
B. onjuist RCNA 1040

45. Als de voorachterwaartse diameter (sagittaal) van de schildklier 2,5 centimeter of meer bedraagt, dan is de schildklier vergroot.

A. juist
B. onjuist RCNA 1132

46. De schildklier is in de meerderheid van de gevallen bij de ziekte van Graves hypoechogeen.

A. juist
B. onjuist RCNA 1132-1133

47. Een zgn. “thyroid inferno” bij color of power doppler imaging, is een kenmerk van een schildklieradenoom.

A. juist
B. onjuist RCNA 1135-1136


48. Kleine puntvormige verkalkingen in een schildklier nodus zijn in de meerderheid van de gevallen benigne van aard.

A. juist
B. onjuist RCNA 1133,1137

49. Patiënten met een Hashimoto thyroiditis hebben een verhoogde kans op het ontwikkelen van een non-Hodgkin van de schildklier.

A. juist
B. onjuist RCNA 1135,1138

50. Primaire hyperparathyroidie wordt in de meerderheid van de gevallen veroorzaakt door een hyperplasie van de bijschildklieren.

A. juist
B. onjuist RCNA 1140

51. Bijschildklieradenomen zijn in meer dan 75% van de gevallen hypovasculair.

A. juist
B. onjuist RCNA 1142

52. Normaal adenoid weefsel is hyperintens op T2-gewogen opnamen.

A. juist
B. onjuist Grossman 379

53. Een Thornwaldtse cyste is vaker hyperdens dan hypodens op een blanco CT.

A. juist
B. onjuist Grossman 379

54. Maligne otitis externa komt met name voor bij oudere diabeten.

A. juist
B. onjuist Grossman 379

55. De voorkeurslokalisatie van het nasopharynxcarcinoom is de dorsale nasopharynxwand.

A. juist
B. onjuist Grossman 381

56.
Bij een patiënt met een nasopharynxcarcinoom wordt invasie aangetoond van de pterygopalatine fossa.
Uitbreiding richting het os temporale gebeurt via het foramen rotundum.

A. juist
B. onjuist Grossman 383

57. Een ranula is een congenitale cyste in de glandula sublingualis.

A. juist
B. onjuist Grossman 390

58. De valse stembanden zijn een onderdeel van het supraglottische gebied.

A. juist
B. onjuist Grossman 395

60. Meer dan 90% van de recidieven bij hoofd-halstumoren ontstaan binnen 2 jaar.

A. juist
B. onjuist Grossman 408

61. Een supraglottisch larynxcarcinoom metastaseert in de regel eerder naar de regionale lymfklieren dan een glottisch larynxcarcinoom.

A. juist
B. onjuist Grossman 399

62. Het grootste deel van de infecties van de speekselklieren is viraal van aard.

A. juist
B. onjuist Grossman 417

63. Ongeveer 20% van de Warthin tumoren ondergaan maligne degeneratie.

A. juist
B. onjuist Grossman 420

64. Een afwijking in de masticator space geeft in de regel verplaatsing van het parapharyngeale vet naar posteromediaal.

A. juist
B. onjuist Grossman 429, 424

65. De vena jugularis interna is gelegen in de carotid space.

A. juist
B. onjuist Grossman 431


67. Bij een 60-jarige patiënt wordt op niveau C3-C4 een destructieve, lytische laesie zonder verkalkingen gezien die na contrasttoediening sterk aankleurt.
Een chordoom is waarschijnlijker dan een metastase.

A. juist
B. onjuist Grossman 436

68. Het merendeel van de ductus thyreoglossus cysten is onder het niveau van het hyoid gelegen.

A. juist
B. onjuist Grossman 438

69. Meer dan 70% van de solitaire nodi in de schildklier zijn adenomen.

A. juist
B. onjuist Grossman 440

70. Een papillair schildkliercarcinoom geeft vaker hematogene metastasen dan een folliculair schildkliercarcinoom.

A. juist
B. onjuist Grossman 440